Voorbeelden van het gebruik van Haar bellen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Neem je mijn telefoon nu eindelijk aan om haar bellen?
Dus je moet haar bellen.
Cath, je moet haar bellen.
Dan moeten we haar bellen.
Je moet haar bellen.
Dr Lambert, ik wil haar bellen.
Geloof me, je moet haar bellen.
Ja, ik zal haar bellen.
Mónica. Je moet haar bellen.
Om het af te zeggen. Ik moest haar bellen.
Maar u moet haar bellen.
Misschien moeten we haar bellen.
Op een bepaald moment moet je haar bellen.
Laten we haar bellen?
Waarom moest ik haar bellen?
Ik moet haar bellen.
Laat iedereen haar bellen.
Ja, ik zal haar bellen.
Ik moet haar bellen en zeggen dat het me spijt.
Laat me haar bellen van hier beneden en zien wat ze zegt.