Voorbeelden van het gebruik van Meerijden in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Laat je studenten meerijden?
Carol, mag ik meerijden?
Hij wil meerijden.
Misschien kan ik meerijden.
Wil je met mij meerijden?- Ja.
Reed je achter de ambulance aan, of mocht je met hen meerijden?
Mag ik meerijden?
Je kunt met me meerijden.
Mag je meerijden.
Laat me met u meerijden.
Ik mocht niet met jou in de ambulance meerijden.
Dat mag u, maar u kan niet meerijden.
Ze wil met ons meerijden.
Daarom wil ik meerijden.
Ik moet met jou meerijden.
Dobie, als we in Lordsburg zijn, kun je ook met mij meerijden.
Je kunt met ons meerijden.
Je kunt wel meerijden.
Ik zal met je meerijden.
Je kunt vanavond niet meerijden.