Voorbeelden van het gebruik van Mijn trui in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Waar is mijn trui nou?
Je hebt mijn trui aan.
Dat is mijn trui.
Mag ik mijn trui pakken?
Is dat mijn trui, Roberta?
Gaten in mijn trui. Gaten!
Is het mijn trui?
Wil je mijn trui zien?
Liet ik mijn trui hier vorige week liggen?
Waar is mijn trui, dief?
Van mijn trui?
Ze ruikt het aan mijn trui.
En mijn trui… de handenarbeid leraar heeft er sap overheen geknoeid.
Is het goed als ik mijn trui uitdoe?
Mijn trui.
Mijn trui! Nee…!
Ik kreeg het op mijn trui.
Ik had het onder mijn trui.
Vind je het goed dat ik mijn trui uitdoe?
Tweeling? Draag je mijn trui?