Voorbeelden van het gebruik van Niet forceren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Maar ik ga het niet forceren.
Maar je kunt het niet forceren.
Je kunt het niet forceren.
Een feestmaal kun je niet forceren.
je kan het niet forceren.
Jase, je kunt liefde niet forceren.
Je kan het niet forceren.
Niet forceren.
Niet forceren.
Niet forceren.
Niet forceren.
Hanna, niet forceren, oke?
Niet forceren.
Maar je kunt dat niet forceren. Alsof ze wil dat ik.
Niet forceren. gaat het bijna vanzelf. Als je het spel laat gebeuren.
Niet forceren.
Niet forceren.
Wetenschap kun je niet forceren.
Herstel zal lang duren en we moeten het niet forceren.
Soms moet je het niet forceren.