Voorbeelden van het gebruik van Opbeuren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik wilde je alleen maar opbeuren. Billy, nee!
Ik wilde je alleen opbeuren.
Wacht, jij moet mij opbeuren.
Je moet 'm opbeuren.
Dan denk ik dat je mij wilt opbeuren.
Misschien kan hij z'n broer opbeuren.
Zullen we haar wat opbeuren?
Hij hoort jouw zielige verhaal en hij wil je opbeuren.
Zelfs 'n mond vol appelpeersinaasappel- banaankersbes kon me niet opbeuren.
Ik dacht dat dat je zou opbeuren.
Kom, Tony, het zal je opbeuren.
Je bent zo humeurig dat ik je zal opbeuren.
Lk stel het op prijs dat je me wilt opbeuren.
Snot zijn hart is gebroken, en ik moet hem opbeuren.
Ik wilde je alleen maar opbeuren.
Dat zal mensen opbeuren.
Zal dit me opbeuren?
Ik wou de ouwe zuurpruim wat opbeuren.
de koning zal opbeuren.
Zie je wel, Stan, ik zei toch dat de jaarmarkt je zou opbeuren.