Voorbeelden van het gebruik van Opbeuren in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
We gaan je mama opbeuren.
Praten over de goede dingen kan jullie allebei opbeuren.
We moeten een volledig dorp opbeuren.
Ik moet haar gewoon opbeuren.
Kon Fiametta je niet opbeuren?
Kijk of je hem een beetje kunt opbeuren.
Zal ik jou 's opbeuren?
Ik ga jou opbeuren.
Ongelooflijk, hoe 'n spreekwoord je kan opbeuren.
Nee. Ik wou je even opbeuren.
Kom mee. Ik heb nieuws dat de koning zal opbeuren.
Alsjeblieft. Ik wil je graag opbeuren.
Zelfs het flirten van Vicki kon me niet opbeuren.
Alsjeblieft. Ik wil je graag opbeuren.
Uit eten met Jacques, hem opbeuren.
Ik wilde je alleen maar opbeuren. Billy, nee.
Ik wilde je alleen maar opbeuren. Billy, nee!
Heb je Josetxo kunnen opbeuren?
We willen Nanny opbeuren.
Hé, help me hem opbeuren.
