Voorbeelden van het gebruik van Shirt in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Het shirt van aanklager Williams is blauw, Ms Tanner.
Zwarte beha, wit shirt.
Vier je vrijheid niet met een shirt, Danino!
Toen… probeerde hij me te kussen en mijn shirt uit te trekken.
Ik wil mijn shirt terug.
Het tenue bestaat uit een rood shirt, witte broek
Shirt en bloot?
Wit shirt, Ik heb je wel gehoord.
Dat is toch uw shirt, Mr Raker… Nee. daar achter, op gehoorsafstand van dat interview.
Hij gaat niet naar je shirt kijken.
Heeft iemand anders dit shirt geanalyseerd?
Man, volwassene, zwart, blauw shirt, zwarte jeans!
Er lag een deken, een shirt en een paar schoenen.
Waarom draagt je zoon een Adidas shirt en Jordans?
Makkelijk. Witte shirt, zwarte broeken.
Geen shirt. Dr. Bailey, ik.
Pak een shirt of zo. Kom op.
Mensen dragen zijn shirt en je hoort zijn muziek op straat.
Nee, dit is mijn shirt.
Die gast in dat grijze shirt is Alfredo.