Voorbeelden van het gebruik van Tijdrekken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik moet tijdrekken.
Je moet tijdrekken.
kunnen we tijdrekken.
We moeten tijdrekken.
Houd op met tijdrekken en geef me je sleutels.
Het is tijdrekken.
Stop met tijdrekken.
Stop met tijdrekken.
Hou alsjeblieft op met tijdrekken.
Oké, ze is aan het tijdrekken.
de Europese Unie geen tijdrekken zal dulden.
Als je tijdrekt of het apparaat onbruikbaar maakt.
Je denkt dat hij tijdrekt.
Ik moet tijdrekken.
Je wilt tijdrekken.
Je moet tijdrekken.
Je moet nog wat tijdrekken.
Hij wil gewoon tijdrekken. Heel slim.
Hij wil gewoon tijdrekken. Heel slim.
Ze zullen blijven tijdrekken en dan gaan ze in beroep.