Voorbeelden van het gebruik van Vieren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
We vieren Mia's nieuwe baan.
Wij vieren, inclusief Tyler.
De sheriff zal je terugkomst wel vieren met 'n feest.
Bruno…… we waren met z'n vieren.
Hoezo? Jullie vieren toch geen Kerstmis?
zal iedereen het gaan vieren.
HU Vandaag vieren wij de vijftigste verjaardag van de Hongaarse revolutie van 1956.
We vieren haar terugkeer en zeggen triomfantelijk.
We vieren je-weet-wel met"A" -vormige pannenkoeken.
Wij vieren kochten samen een biljet.
Ze waren met ze vieren.
Ik kwam het vieren.
De dealer moet minimaal een pair vieren hebben om een kwalificerende hand te hebben.
Vieren jullie Thanksgiving met Kerst?
Ik had graag met hen jouw onberispelijke smaak willen vieren.
Wij vieren het kerstfeest op de daarvoor in de christenheid algemeen aanvaarde dag.
Boeren vieren nieuwe Gilbert. Moody.
ontwikkelen en vieren van heksen.
De laatste Starks. Wij vieren.
We waren met ons vieren.