Voorbeelden van het gebruik van Weekje in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Maar één weekje maakt geen verschil.
Ik heb me zo verheugd op dat weekje met jou.
Laten we een weekje weggaan.
Naar m'n zus in Connecticut. Ik wil een weekje weg met Brett.
Een weekje.
Kunnen we hier niet een weekje komen wonen?
Geef me nog één weekje.
Ik raakte over m'n toeren omdat we maar één weekje hadden?
Broeder, dan blijft 't een weekje rustig.
Maar één weekje.
Een weekje maar.
Alleen voor een weekje.
Met vakantie? Nee, Elin logeert een weekje bij oma?
Waarom kom je niet een weekje thuis uitrusten?
Geef me nog één weekje.
Het was me het weekje wel.
Nee, ik ben een weekje op bezoek.
Meestal blijft hij een weekje.
Het is maar een weekje.
We gaan 'n weekje naar een privé-kuuroord en.