Voorbeelden van het gebruik van Zelfvertrouwen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wij zullen vechten met groeiend zelfvertrouwen en groeiende kracht in de lucht.
Zelfvertrouwen is niet Daniel's sterkste punt.
Ze probeert haar zelfvertrouwen op te krikken.
Hij heeft zelfvertrouwen.
Waar is dat zelfvertrouwen nu?
Ik heb geen zelfvertrouwen.
Zelfvertrouwen is sexy.
Je hebt zelfvertrouwen, hè?
Of het ondermijnt haar zelfvertrouwen… met te veel verwarrende woorden.
Mijn zelfvertrouwen, mijn vertrouwen, mijn gezond verstand.
Ik bewonder je zelfvertrouwen.
Wat je direct vertelt hoe laag mijn zelfvertrouwen is.
Kirk had zelfvertrouwen.
Omdat het haar me zelfvertrouwen gaf.
Geen wonder dat ik geen zelfvertrouwen heb.
Hij wil mij m'n zelfvertrouwen ontnemen, me van m'n verstand beroven.
Je zelfvertrouwen verbaast me, kapitein.
Fluitend van zelfvertrouwen. Kijk, hij leunt achterover met zijn voeten omhoog.
Echt zelfvertrouwen vereist echte actie.
Om zijn glimlach,… zijn zelfvertrouwen, die twinkeling in zijn ogen.