Voorbeelden van het gebruik van Afzeggen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
plannen met een meisje afzeggen.
Weekendplannen afzeggen, niet?
Bedankt voor het afzeggen van Adam, om te komen.
Afzeggen op je eerste werkdag?
Dan kunnen we de honden wel afzeggen.
Hoi, ik moet onze lunch afzeggen.
Ik moet een afspraakje afzeggen.
Het huwelijk afzeggen is het beste.
Ik had de Wegenwacht niet moeten afzeggen.
Ik ga afzeggen.
Ik ga hem zijn cheque teruggeven en de trouw afzeggen.
Mam, ik kan niet afzeggen.
Wat? Kun je het niet afzeggen?
Je dacht dat afzeggen je gelukkig zou maken.
Je had 't niet mogen afzeggen.
We kunnen niet blijven afzeggen.
Ik denk dat we de staking moeten afzeggen.
We kunnen de reis niet afzeggen.
Wat? Kun je het niet afzeggen?
Je gaat niet weer afzeggen, hè? Nee!