Voorbeelden van het gebruik van Afzeggen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik had eigenlijk moeten afzeggen.
Laat de premier al m'n afspraken afzeggen.
Ik moest zondag afzeggen.
had je je plannen moeten afzeggen.
En zeg hem dat hij zijn plannen voor vanavond moet afzeggen.
Ik moest nu al al m'n afspraken afzeggen.
Vertel Bailey dat zij het feest moet afzeggen.
We hadden moeten afzeggen.
Rosa denkt dat ik de bruiloft moet afzeggen.
We hadden moeten afzeggen.
LOS ANGELES- Elton John heeft 4 concerten voor komend weekend moeten afzeggen.
Ik denk dat ik dat feestje toch had moeten afzeggen.
Als we die vergadering afzeggen, verliezen we alle geloofwaardigheid bij Blanchard.
Als we nu 's iedereen afzeggen en zaterdag samen uitgaan?
Patiënten die afzeggen tellen niet mee!
Als we het afzeggen verliezen we Long Meadow.
Kun je m'n afspraken afzeggen voor de komende dagen?
Ik moet m'n dansles afzeggen.
Laat me mijn vader opbellen en afzeggen.
De Kroaat afzeggen?