Voorbeelden van het gebruik van Afzeggen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
kan niet afzeggen.
Ik moet vanavond afzeggen.
Kun je ze niet afzeggen?
Dit gaat niet om het feest afzeggen.
Ik kan de violist nog afzeggen.
Het evenement afzeggen, is het veiligst.
je kunt het nog afzeggen.
Hoe bedoel je, de toernee afzeggen? Taxi?
Je kunt Kerstmis niet afzeggen.
Ik moet mijn volgende afspraak afzeggen.
Die je besteld en weer kan afzeggen?
Ik wilde het afzeggen, maar het nummer werkte niet meer na de signeersessie.
Defensie moet die lezing afzeggen en haar meteen in veiligheid brengen.
Je zou het moeten afzeggen.
Je moet die rondleiding afzeggen.
Ik kan m'n massage niet afzeggen, Christian.
Mijn man en ik… moeten onze overdrachten voor dit weekend afzeggen.
Defensie moet die lezing afzeggen en haar in veiligheid brengen.
Een bruiloft afzeggen is eigenlijk heel simpel.
ik vaker degene zal zijn die moet afzeggen.