Voorbeelden van het gebruik van Bukken in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Bukken. Waar zijn jullie van?
Kun jij bukken en hem oprapen?
Je bent een dampende hoop draken… Bukken.
Rennen. Rennen! Bukken.
Niet meer bukken, maar staand snel een slokje tussendoor.
u bent bukken om zijn niveau.
Je moet bukken om te krijgen via de lage ingang van de tempel.
Bukken. Blijf achter hem.
Bukken deze keer.
Hij wilde je alleen maar zien bukken.
Zien jullie dat? Bukken.
Hij denkt dat ik ga bukken.
Bukken door de spiegel en aftrekken.
Je had moeten bukken, Roger!
Eenmaal per uur hurken, knielen, bukken of staande voetpedalen bedienen.
Niet meer bukken om een een de apparaten uit te schakelen.
Bukken. Deze kant op, heren.
Bukken. Waar zijn jullie van?
Broek naar beneden en bukken.
Rachael, bukken.