Voorbeelden van het gebruik van Bukken in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Je kunt beter bukken.
Niemand wilde ze oprapen, dus hij moest zich bukken en ging door zijn rug.
Ze moest dagelijks'bukken, spreiden en hoesten'.
Rennen, springen, bukken en schieten in dit super….
Bukken en bedekken.
Bukken. Eric, nog nieuws over de schutter?
Luitenant, bukken. Ben je zover, Buff?
Hij komt naar buiten, wij bukken, dan ziet hij ons nooit.
Je had moeten bukken, weet je nog?
Als je even flink kan bukken… Dan kan je het goedmaken.
Bukken.- Ze is gewoon bang.
Bukken, allemaal!
Bukken en deze kant op.
Bukken. Waar?
Bukken en geen geluid maken.
Bukken, in dekking, bescherm je ogen.
Iedereen bukken!
Bukken, pak je achterste spreid je billen
Allemaal bukken!
Iederen bukken!