Voorbeelden van het gebruik van Feestdag in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
De belangrijkste feestdag van de satanist is zijn eigen verjaardag.
Nationale feestdag Turkije 2016.
Trots op TU/e staat centraal op nieuwe academische feestdag MomenTUm.
Dat is zijn favoriete feestdag.
Als zijn feestdag worden genoemd 11 januari,
Zijn feestdag is op 16 november.
Haar feestdag is op 15 juni.
Onder een feestdag wordt in ieder geval verstaan.
Nationale feestdag België 2014.
Ik schreef voor elke feestdag speciale muziek.
Zijn feestdag is op 27 november.
Zijn feestdag wordt elk jaar plechtig gevierd op 13 juni.
Zijn feestdag in de rooms-katholieke kerk is 2 mei.
Ik vind elke feestdag fijn, zeker als er chocolade is.
Nationale feestdag Denemarken 2014.
Thanksgiving was Connor's favoriete feestdag.
¡"(zie meer in het hoofdstuk"Kookkunst") en haar feestdag is op 26 juli.
Zijn feestdag is op 10 november.
Zijn feestdag is 25 juni.
Is ze geen Amerikaanse feestdag aan het vieren?