Voorbeelden van het gebruik van Hij speelt in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Hij speelt de piano en het orgel in de kerk.
Nou, hij speelt goed.
Hij speelt al een stuk beter. Zie je wel?
Nee.- Ja, hij speelt met je, Liv.
Ik had het moeten weten, want hij speelt soms jazz.
Hij speelt met ons, weet je dat?
Hij speelt zo snel,
Hij speelt met je.
En hij speelt trombone.
Nee.- Ja, hij speelt met je, Liv.
Hij speelt een spelletje.
Hij speelt met mij.
Hij speelt bij Djurgårdens IF.
Hij speelt met haar.
Hij speelt als middenvelder.
Ja. Hij speelt alles.
Hij speelt met ons.
Hij speelt voor Braxgata in Antwerpen
Hij speelt met u.
Hij speelt als vleugelaanvaller.