Voorbeelden van het gebruik van Je partner in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Waar is je partner Bo Weinberg?
Jane, ik ben je partner, zij niet.
Ik stel je partner een paar vragen over haar ziekte.
Pak je partner vast zoals dit.
Dit is waar je partner Rod is overleden.
Tenzij je partner je ook bedroog.
Wie is je partner?
Ik zal je partner zijn, Dan-i.
Maar we hebben niets gezegd over je partner.
Zwaai je partner rond en rond.
Is je partner één van je metgezellen?
Je partner getuigt tegen je. .
Sir? Hij was je partner en je vriend?
Toon je partner onvoorwaardelijke liefde,
Jij en je partner wisten dat die botten verkankerd waren
Ik ben je partner en ik wil niet concurreren met je werkverplichtingen.
Of je partner sterft.
Sir? Hij was je partner en je vriend.
Zorg dat je partner over zijn eigen setje kaartjes beschikt.
Grijp je partner. Dat ben ik!