Voorbeelden van het gebruik van Knokken in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Twee kerels die knokken om een griet.
Misschien knokken we vandaag niet.
Het was elke dag knokken.
Knokken in een kroeg telt niet echt.
Beste vrienden. Knokken en high fiven met dinosaurussen.
Zwangere Sims kunnen niet langer knokken.
We zijn echt aan het knokken hier.
Maar je moet voor jezelf knokken.
Opium dealen, knokken voor de Tong.
Huiselijk geweld, knokken in 'n bar.
Zodat hij weer kan knokken?
Want die kerel was aan het knokken, dwaas en platzak.
Je moet knokken.
Ik wil niet blijven knokken om te overleven.
Een gedeelte van me wil gaan knokken.
Geen tv, iedere avond knokken.
Zodat hij weer kan knokken?
Dat alleen al is 't knokken waard.
Niet knokken.
Dat alleen al is 't knokken waard.