Voorbeelden van het gebruik van Knokken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Dus je moet knokken.
Zij willen ook knokken.
Je moet tegen haar knokken.
Nee, mama. Niemand gaat knokken.
Ze moet… Zeg haar dat ze moet knokken.
Ze moet tegen windmolens knokken.
Ik ga ervoor knokken.
Maar u zei dat u voor ons zou knokken.
En hiervoor moeten wij knokken.
Wil je knokken, ouwe?
Blijf knokken de wereld houdt van je!
Dus je wilt knokken,?
We waren altijd aan het knokken.
We waren aan het knokken.
Daar wil je voor knokken.
Ik wil hier niet knokken en de politie binnenhalen.
Als je zo doorgaat, knokken we straks op de parkeerplaats.
Knokken. Ik ging winnen.
Knokken op 'n stille plek?
Ze knokken graag met de politie.