Voorbeelden van het gebruik van Knokken in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Teveel drinken, knokken, altijd schreeuwen.
Knokken kan je niet, maar slim ben je.
Jullie zullen moeten knokken voor winst in die wedstrijden.
Waarom knokken we dan al 3 jaar met 'm?
Waarom knokken om een prijs?
Wou je knokken, Losada?
Ik ga knokken. Voor altijd.
Knokken, Daniel.
Zei hij nu echt knokken?
Wil je knokken?
Je spuugt mij in het gezicht en gaat knokken in een bar?
En nu mag je voor je eigen leven knokken.
Wil je knokken?
Als 'n blanke dat zei, wou je knokken.
Ik zag je knokken op straat.
Nu moet je knokken.
Wil je knokken?
En hiervoor moeten wij knokken.
Godzijdank, knokken.
Jij moest zo nodig knokken met de Russen!