Voorbeelden van het gebruik van Knokken in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Weet je echt iemand die me kan helpen knokken?
Ik denk dat je tot het einde moet knokken.
Als je mannen zo nodig willen knokken, hadden ze moeten trouwen?
Ik wil niet meer knokken.
Dus je gaat niet knokken voor je carrière?
De families knokken tegen elkaar.
Als anderen knokken, zeg je niks.
Ik had voor je moeten knokken.
Ik moest mezelf naar het strand knokken.
Ga buiten knokken.
Ik moet knokken, ik moet leven.
Niet knokken in het openbaar!
Teveel drinken, knokken, altijd schreeuwen.
Knokken met haaien, kwallen.
Knokken in de gymzaal!
Knokken met gewone soldaten!
Knokken is wel het effectiefst.
Mama heeft vier jaar moeten knokken om alle schulden af te betalen.
Knokken, spatlap!
Ik ga knokken met buitenaardse wezens op 'n verre planeet.