Voorbeelden van het gebruik van Pepijn in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Pepijn, blijf van dat ding af… SCHOT.
Je rookt te veel, Pepijn.
Niet zo idioot, Pepijn.
Pepijn, ik probeer jou te begrijpen.
We gaan nu, Pepijn.
Jij hebt alle gebreken, Pepijn.
Pepijn, jij krijgt de Francotte.
In 817 vestigde Lodewijk zijn zoon Pepijn als koning van Aquitanië.
Pepijn, duidelijk?
Merijn en Pepijn.
Pepijn Rijvers, Chief Marketing Officer bij Booking.
Dat weet je nooit, Pepijn.
Ik maak me echt serieus zorgen om Pepijn.
Het is duidelijk, Pepijn.
Ik schaam me kapot, Pepijn.
Ik dacht het niet, Pepijn.
Hij was de voorganger van Pepijn van Landen en de vader van Hugobert.
Meer hebben wij als ouders voor Pepijn en Evie niet kunnen wensen!
Tussen 752 en 759 belegerde Pepijn Narbonne, de hoofdstad van Septimanië.
Ik ga Pepijn opvangen bij het station.