Voorbeelden van het gebruik van Piepklein in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Hij is piepklein.
Ik ben piepklein.
Het raam zat hoog en was piepklein.
Ze zijn ook piepklein.
Hij is vast piepklein.
Het bed is piepklein.
Ik ben groot. Ik ben piepklein.
Helemaal alleen, hangend in zo'n piepklein mandje.
Hij had 'n piepklein katje.
Ze zijn piepklein en beschadigen snel.
Er is één piepklein ding dat we moeten doen.
Ik had een piepklein rokje aan en daaronder bijna niks.
Sommige zijn piepklein en hebben het rijk alleen op de bosgrond.
Piepklein gedragseconomisch detail:
Piepklein, vergeleken met jouw huis.
Eén piepklein slipje.
Zo'n piepklein dappere hart krijger vrouw ze is.
Eentje was piepklein.- Hoezo?
Eén piepklein snavelkusje.
Het is piepklein. Het is een puist van een hoofd.