Voorbeelden van het gebruik van Vorig weekend in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Vorig weekend, toen we naar Pound Ridge gingen waar-ie woont.
Je reisje vorig weekend.- Palm Springs?
Je reisje vorig weekend.- Palm Springs?
Vorig weekend. Vrijdag,… kan me niet herinneren.
De politie trad vorig weekend hard op tegen automobilisten.
Vorig weekend. Sinds wanneer?
Vorig weekend. Sinds wanneer?
Liz en ik zijn hier geweest vorig weekend.
Van dat feestje vorig weekend?
Antti was er vorig weekend.
Vorig weekend? Vorig weekend?
Video's van vorig weekend online Nieuwsarchief Home.
En vorig weekend?
Hij was vorig weekend op het vrijgezellenfeest waar je werkte.
Vorig weekend.
Je was vorig weekend toch ook thuis?
Wat is hier… vorig weekend gebeurd?
Ze zou komen vorig weekend.
Dit weekend, vorig weekend.
Dit weekend, vorig weekend.