Voorbeelden van het gebruik van Aarzelde in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik aarzelde een beetje.
Jij aarzelde toen je hem zag.
Je aarzelde, Edmund.
Je aarzelde even, voor de sprong.
Je aarzelde even.
Wat als ik aarzelde vanwege de verkeerde reden?
Je aarzelde voordat je het veiligheidssignaal gaf.
Hij aarzelde geen moment.
Hij aarzelde om aan te vallen tot rond 17.00u.
Ze aarzelde de fundamenten van de bergen.
Aarzelde mijn benen bij het lopen;
Als we aarzelde, zei hij, waren we allemaal recht.
De rector aarzelde toen ik 'n naam noemde.
Aarzelde zij, of zei jij dat gewoon zo?
Je aarzelde. Dat gebeurt soms.
Je aarzelde, dat zag ik.
Jij bent degene die aarzelde, zoals je doet met alles.
Ik aarzelde met vuren.
Iemand aarzelde bij het doden van de hond?
Omdat Ricardo aarzelde met die conciërge.
