Voorbeelden van het gebruik van Uitgeput in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Je moet uitgeput zijn.
Ik ben zo uitgeput.
Ik ben uitgeput.
Uitgeput na een lange dag.
Je bent uitgeput?
Je bent moe, uitgeput.
Ik ben uitgeput.
Je bent uitgeput, je hebt een massage nodig.
Ik was pas moeder. Uitgeput en overweldigd.
Zij liet hem binnen omdat hij zei uitgeput te zijn.
Ik was uitgeput.
Ik ben totaal uitgeput.
Ik ben uitgeput, ik ga slapen.
Hij is uitgeput. Hij is ook ondervoed, en uitgedroogd.
Dat dacht ik zelf ook, maar ik ben uitgeput.
maar… Ik ben uitgeput.
Iedereen is uitgeput, jij ook.
Ze was enorm afgeleid en uitgeput door zichzelf op te boeien.
Ik ben uitgeput alle tijd.
We waren uitgeput, maar veel gevochten hadden we niet.