Voorbeelden van het gebruik van Ik plan in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik plan geen seks meer te hebben tot ik getrouwd ben.
V: Ik plan een bezoek naar Barcelona vanaf 30 oktober.
Zelf doe ik weinig. Ik plan alleen.
Fi, ik plan een inbraak.
Hoe kan ik Plan een verjaardagsfeestje op een begroting?
Ik plan niet elke seconde van m'n leven, zoals jij.
Ik plan elke beweging en zoek naar goedkope reizen,
Ik plan bijna niets.
Ik plan de buitenschoolse activiteiten.
Ik plan de kroning al drieënhalf jaar.
Ik plan bijna niets.
John, ik plan dit feest al voor zes maanden.
Lieverd, Ik plan mijn eigen verjaardagsfeestjes niet.
Ik plan onze ontsnapping.
Ik plan mijn weekend eromheen.
Ik plan helemaal niets.
Ik plan van dag tot dag
Ik plan om haar in bed te vergezellen bij haar terugkomst.
Ik plan de gevechten.
Ik plan alles vooruit.