AVERGONZAR - vertaling in Nederlands

schamen
avergonzar
vergüenza
verguenza
de qué avergonzarte
in verlegenheid brengen
a avergonzar
en evidencia a
voor schut zetten
avergonzar
en ridículo
schande
vergüenza
pena
desgracia
deshonra
vergonzoso
lástima
infamia
deshonor
escándalo
ignominia
schaamte
vergüenza
verguenza
avergonzado
humillación
pudor
te schande
te beschamen door
gênant
embarazoso
vergonzoso
incómodo
vergüenza
bochornoso
raro
avergonzado
avergonzante
vergonzosamente
incomodo

Voorbeelden van het gebruik van Avergonzar in het Spaans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Avergonzar a la gente sobre sus hábitos de vida no mejora la salud.
Mensen beschamen over hun levensstijl Gewoonten heeft niets om hun gezondheid te verbeteren.
¿De verdad tenemos que avergonzarnos de nuestra historia?
Of we ons moeten schamen over onze historie?
Muy bien. Intenten no avergonzarme hoy. Estoy trabajando.
Probeer me voor één keer niet voor schut te zetten, ik ben aan 't werk.
¡Me acabas de avergonzar delante de mis amigos!
Je hebt me vernederd in het bijzijn van m'n vrienden!
Por eso, no debemos nunca avergonzarnos de nuestra fe.
We mogen ons nooit schamen voor ons geloof.
Y avergonzar a todos los hombres que te sigan.
En alle mannen beschamen die volgen.
nombrar, avergonzar y encarcelar.
benoemen, beschamen en gevangen zetten.
Nos vas a avergonzar.
Je maakt ons belachelijk.
Te toca a ti hacer mazmorras y avergonzar a otros.
Het is jouw beurt om een dungeon te bouwen en anderen te vernederen.
Con todo lo que tienen que esconder y avergonzarse.
Met alles wat zij verbergen en zich voor schamen.
¿De que te puedes avergonzar?
Waarvoor kun jij beschaamd zijn?
Podría avergonzar al departamento.
Dat kan de afdeling beschamen.
La inteligencia no es nada de qué avergonzarse, inspector.
Intelligentie is niets om zich voor te schamen, inspecteur.
Nos vas a avergonzar.
Je zet ons voor schut.
Deberías avergonzarte de ti misma.-¿Qué?
Je moest je schamen.
sonries, para no avergonzar al hombre humilde.
glimlach, om de nederige man niet in verlegenheid te brengen.
No quiero llegar a los 40 y avergonzar a mis hijos.
Ik wil geen veertig worden en mijn kinderen ten schande zijn.
Y tengo un plan.-¿Te gusta avergonzar a la gente,?
En ik heb een plan. Zet je mensen graag voor schut?
Al menos tendría un padre de quien no avergonzarme.
Dan had ik tenminste één ouder voor wie ik me niet schaamde.
La gente del fútbol os tenéis que avergonzar.
Jullie voetbalmensen moeten je schamen.
Uitslagen: 413, Tijd: 0.4041

Top woordenboek queries

Spaans - Nederlands