ENFERMA - vertaling in Nederlands

ziek
enfermo
enfermar
mal
harto
enfermedad
enfermizo
misselijk
enfermo
mal
vomitar
náuseas
mareado
nauseas
nauseabundos
asqueados
enferman
ziekelijk
enfermizo
enfermo
morboso
patológico
mórbido
patológicamente
morbosamente
patiënt
paciente
enfermo
zieke
enfermo
enfermar
mal
harto
enfermedad
enfermizo
zieken
enfermo
enfermar
mal
harto
enfermedad
enfermizo
zieker
enfermo
enfermar
mal
harto
enfermedad
enfermizo
ziekelijke
enfermizo
enfermo
morboso
patológico
mórbido
patológicamente
morbosamente

Voorbeelden van het gebruik van Enferma in het Spaans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
¿Me estás diciendo, que por tu hija enferma.
Dus je bedoelt, dat ziekelijke kind van jou.
El asesinato de gente enferma, indefensa.
De moordenaar van weerloze zieken.
La doctora Lizzy es una enferma mental,¿de acuerdo?
Dr Lizzy is een psychiatrische patiënt, oké?
Como enferma.
Zoals misselijk.
Estás completamente enferma.
Jij bent echt ziekelijk.
Mientras mas se adentra en tu organismo te pones cada vez mas enferma.
Doordat er steeds meer in je lichaam kwam, werd je steeds zieker.
Qué horrible final… para tu patética, familia enferma.
Wat een afschuwwekkend einde… voor jouw zielige, ziekelijke familie.
Estaba enferma.
Ik was misselijk.
Analiza el modo de vida del enferma.
Analyseert de manier van leven van de patiënt.
Todo lo que hacen sólo me pone más enferma.
Alles wat ze doen maakt me alleen maar zieker.
Me mudé hace unos 10 años para cuidar a mi madre enferma.
Ik ben toen jaar geleden verhuisd om voor mijn ziekelijke moeder te zorgen.
yo estoy más enferma.
ik ben zieker.
Yo no seré la victima de su enferma extorción.
Ik zal niet het slachtoffer van je ziekelijke afpersing zijn.
Ella estaba siempre muy enferma para viajar.
Zij was altijd te ziek om te reizen.
Enferma, haz eso en el baño.
Zieke trut, doe dat in de badkamer.
¿Esta chica está enferma, o no?
Is dit meisje ziek, of niet?
¿Por qué gente enferma?
Waarom zieken mensen?
Mujer enferma con el dolor de cabeza,
Zieke vrouw met hoofdpijn,
La semana pasada estuviste enferma,¿qué te pasó?
De vrouw was een week ziek, wat gebeurde er?
Aguila enferma acepta.
Stamvergadering? Zieke Adelaar gaat accoord.
Uitslagen: 3862, Tijd: 0.0933

Top woordenboek queries

Spaans - Nederlands