FESTEJAR - vertaling in Nederlands

vieren
celebrar
cuatro
la celebración
festejar
cuartos
feesten
fiesta
celebración
partido
festival
baile
festividad
banquete
festín
festejo
te feesten
feestvieren
celebrar
celebración
festejar
fiesta
a celebrarlo
feest
fiesta
celebración
partido
festival
baile
festividad
banquete
festín
festejo
feestje
fiesta
celebración
partido
festival
baile
festividad
banquete
festín
festejo
te smullen
para saborear
para deleitar
festejar
la fiesta

Voorbeelden van het gebruik van Festejar in het Spaans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Oye, si una chica ha necesitado festejar, eres tú.
Hé, als er een meisje een feestje nodig had, ben jij het wel.
Sabes como me gusta festejar.
Je weet dat ik van een feestje hou.
no me siento con ganas de festejar este año.
ik heb geen zin in een feestje dit jaar.
Invitar a los mejores amigos y festejar significa que sois algo real.
De beste vrienden uitnodigen en feesten betekenen dat je serieus bent.
Vamos a festejar como si fuera 1955.".
We gaan feesten zoals in 1955".
Y festejar con la gente de esa región.
En om mee te vieren met de mensen uit die regio.
Quiero festejar contigo, Jesús.
Ik wil feesten met jou, Jezus.
¿Quieres festejar, Mel?
Wil je een feestje, Mel?
Olvídalo, amigo. Esta tapa dice que tienes que festejar con nosotros.
Vergeet het maar, hier staat dat je met ons moet feesten.
deberíamos festejar Jánuca como McKenzie y Duncan y Moises.
moeten we Chanoeka vieren, net als die andere kinderen.
Su alteza puede realmente festejar.
Hare majesteit kan wel feesten.
Podemos festejar y hablar de negocios.
We kunnen het vieren en over zaken praten.
Bueno, quizá luego podríamos reunirnos y festejar.
Ja. Misschien kunnen we nog eens samen feesten.
Es sólo que no hay nadie con quien festejar.
Maar er is niemand om het mee te vieren.
Pero esta noche, vamos a festejar como en 1959.
Maar vanavond, we gaan feesten alsof het 1959 is.
Debemos festejar, sabes?
We moeten het vieren.- Wat?
Hey, deberíamos festejar, tomar una copa o algo?
Dit moeten we vieren. Ga je mee iets drinken?
¿Quieres festejar?
Wil je feesten?
¿Cómo festejar el cumpleaños de una ciudad?
Hoe vier je eigenlijk de verjaardag van een stad?
Creo que en Cuba se pudo festejar la Navidad y no mucho más.
Ik geloof dat Cuba Kerstmis heeft mogen vieren en dat is zowat alles.
Uitslagen: 207, Tijd: 0.3161

Top woordenboek queries

Spaans - Nederlands