Voorbeelden van het gebruik van Feestje in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
ze wil geen feestje.
Een klein feestje.
Nathan en ik geven zaterdag een feestje bij hem thuis.
Kom op, het is een feestje.
Misschien kunnen we een feestje bouwen.
Daar ben je… op mijn feestje.
Bus Tjechisch Groep Feestje.
Dan kun je ze alles vertellen over het feestje van jou gisterenavond.
Dit is niet jouw eigen feestje.
Iers Feestje.
Ik zie je wel op het bureau voor 't feestje van LaGuerta.
Rekening voor jouw feestje gisteravond.
Er komen jongens en meisjes… en het is een feestje.
Ik wil een lijst van iedereen die op uw feestje was.
praten is een feestje.
Hoe was je kleine feestje?
Groep ▪ Feestje.
Maar ik kan niet geloven dat je me niet hebt uitgenodigd voor je feestje.
Tjechisch Feestje.
Sinds de verstoring van Callisto's feestje.