FESTIVO - vertaling in Nederlands

feestelijk
festivo
festivamente
fiesta
celebración
festero
feestdag
fiesta
día festivo
festividad
vacaciones
celebración
día de celebración
feriado
vakantie
vacaciones
fiesta
escapada
descanso
vacacional
día festivo
vacación
feestelijke
festivo
festivamente
fiesta
celebración
festero
non-working
festivo
festivo
feestelijker
festivo
festivamente
fiesta
celebración
festero
feestdagen
fiesta
día festivo
festividad
vacaciones
celebración
día de celebración
feriado
feestelijks
festivo
festivamente
fiesta
celebración
festero
kerstachtig
navideño
festivo

Voorbeelden van het gebruik van Festivo in het Spaans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Importa solo festivo.
Alleen vakanties importeren.
Será el mejor día festivo que hayamos visto.
Dit wordt ongetwijfeld het grootste feest dat we ooit gezien hebben.
Un plato festivo y casual es un pez en.
Een feestelijk en ongedwongen gerecht is een vis in.
Aumentar el ambiente festivo.
Verhogen de feestelijke vakantie sfeer.
Saludo festivo de Navidad con bola y hojas.
Kerst festival groet met bal en bladeren.
Un poco festivo, quizás.
Een beetje te feestelijk, misschien.
De septiembre(festivo de la Mercè).
September(feesten van La Mercè).
Debió haber sido festivo pues el club celebraba su centenario.
Had een feestjaar moeten zijn want de club vierde zijn 100-jarig bestaan.
¿La mente un día te dará un día festivo?
Zal het denken je op een dag vakantie geven?
¿Qué festivo?
Wat voor vakantie?
El fondo del valle se caracteriza por un intercambio productivo y festivo.
De vallei wordt gekenmerkt door een productieve en levendige handel.
es más festivo.
en het is meer speels.
Bueno en ese tono festivo.
Nou, op die vrolijke noot.
otros puntos de interés están adornados con una decoración festivo.
andere bezienswaardigheden zijn versierd met feestelijke vakantie decor.
También se le denomina el festivo.
Ook heet het festival.
Hoy es día festivo.
Vandaag is een feestdag. Een nationale feestdag.
¡Es el mejor día festivo de mi vida!
Dit is het beste feest ooit!
¿Qué tal un poco de Mozart a hace cosas festivo,?
Wat denk je van wat Mozart om het feestelijk te maken?
Contento; jovial; festivo.
Blij; blijgeestig; blijmoedig.
ustedes espiritistas lo declararán un día festivo internacional.
verklaren jullie die dag als een internationale feestdag.
Uitslagen: 838, Tijd: 0.1924

Top woordenboek queries

Spaans - Nederlands