Voorbeelden van het gebruik van Avonturier in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Avonturier. Met een goede linkerhoek.
Hij was een avonturier en de dood was zijn grens.
U bent geen avonturier, maar een bouwer.
Ze was een avonturier en vrij. Ik was gehoorzaam en braaf.
Iedereen kan avonturier zijn, als ze zich maar registreren.
Een avonturier. Je bent.
De avonturier keert terug met geschenken van haar reizen.
Dat je een avonturier en een vervloekte man bent.
Jij bent de avonturier, ik niet.
Je bent een avonturier.
Jij denkt dat je zo'n avonturier bent.
Bloed van een avonturier.
Maar mijn dagen als avonturier zijn voorbij.
Stopte hij met een avonturier te zijn?
Omdat ik een dokter ben, en jij een avonturier.
Ze was geen avonturier.
Ik weet het niet, een avonturier.
Ik ben dan misschien geen knappe avonturier.
Jij lijkt me meer een avonturier.
Jij bent mijn avonturier.