Voorbeelden van het gebruik van Berouw in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Ecclesiastic
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ze heeft berouw over haar zonden en ze boet ervoor.
Ik heb berouw, vader.
Heb geen berouw voor wat je gedaan hebt.
Dit gaat niet om berouw.
En hoe zit 't met berouw, Ada?
Hij heeft ook veel berouw.
je hebt berouw van je zonden en hebt ze opgebiecht.
Ja, dat is wat een meisje wilt horen in bed… berouw.
Laat de lichthartige zondaars berouw krijgen JAKOBUS 4:9.
De goedheid van God leidde u naar berouw.
Zeg me niet dat je zonder berouw je gewaad uitdoet.
Ga nu naar hem en toon berouw.
Zie ik daar berouw?
Maar als zij berouw tonen en zich beteren,
Als je echt berouw hebt van je daden heb je niets te vrezen.
Hij is mijn grootste berouw.
Zijn dat tranen van berouw? Hij huilt.
Elke rechter die ik ken, kent het verschil tussen berouw en zelfmedelijden.
Wellicht hebben ze berouw.
Dan tonen zij geen berouw en laten zich niet vermanen.