Voorbeelden van het gebruik van Biscuit in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
En… Diane? Biscuit zegt hallo?
Menjamin Mippman. Hij heet Cinnamon Biscuit.
Het is Biscuit.
Nu, Biscuit.
Jij bent een oen, Biscuit.
heb een labrador genaamd Biscuit.
Je bent een idioot, Biscuit.
Ik geef mijn biscuit een zetje.
Nee, Biscuit of zoiets.- Burger!
Die verdomde biscuit.
Letterkoekjes zijn een soort biscuit.
Mr Biscuit?
Burger! Nee, Biscuit of zoiets.
Oké, het gaat niet over Biscuit.
Mijn carrière ligt in de handen van Doedelzak Biscuit.
En dat is dus het verschil tussen een biscuit en een cake.
Oké, het gaat niet over Biscuit.
Ten eerste, dit is geen restaurant, ten tweede, in mijn biscuit zat een tand.
Ik zie goede veranderingen voor ons, Biscuit.
Leg na het ontwaken onmiddellijk een stukje biscuit, appel of yoghurt in je mond.