Voorbeelden van het gebruik van Dat uitleggen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wil je dat uitleggen?
Kun je dat uitleggen?
Wil je dat uitleggen? Charles?
Kunt u dat uitleggen?
Kunnen jullie dat uitleggen?
Kan iemand dat uitleggen?
Kun je dat uitleggen?
Kun je dat uitleggen?
Wilt u dat uitleggen?
Kunt u dat uitleggen?
Willen jullie dat uitleggen?
Hoe ga je dat uitleggen, pa?
Kun je dat uitleggen?
Kun je dat uitleggen, inspecteur?
Kun je dat uitleggen, David Martinez?
Wou je hem dat uitleggen? De overval, de gijzeling?
Moet ik dat uitleggen?
Wil je dat uitleggen?
Kunt u dat uitleggen?
Ik kan dat uitleggen, oké?