Voorbeelden van het gebruik van De dokter in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
En de dokter, met een cadeau.
ze is bij de dokter.
De dokter schrijft bedrust voor vanwege de tweeling,
De dokter praat geen onzin.
Ik ga nooit naar de dokter.
De dokter heeft het achter neergelegd.
Iets van de dokter gehoord?
De dokter is door twee mannen meegenomen.
Nee, ik moet naar de dokter.
Kinderen, de dokter heeft het medicijn waarover ik verteld heb.
Eerst de dokter, nu 'n inspecteur.
Omdat ik bang ben voor de dokter.
Heeft de dokter die gemaakt?
De dokter zei dat ze een beroerte had.
Ik heb de dokter gebeld.
Nee, ik wil de dokter van Stan.
De dokter gaf iemand nog 6 maanden te leven.
De dokter wordt 's nachts gewekt…
De dokter zorgt wel voor me.
De dokter zei dat ik PTSD had.