Voorbeelden van het gebruik van Deugen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik kwam ze tegen bij de groep. Ze deugen.
Deze man kan niet deugen.
De antecedenten van Carly Ambers deugen.
De wafels deugen niet.
Die deugen sowieso niet.
Als de cijfers niet deugen, is er meestal een reden.
Wilde je zeggen dat we denken dat z'n ouders niet deugen?
Maar waartoe dienen zulke goede verslagen als de algemene voorwaarden van dit beleid niet deugen?
Ik zeg niet dat je methoden niet deugen.
Want stel je voor dat iemand denkt dat zij niet deugen.
Toen kwam ik erachter dat woorden niet deugen.
Hun webben deugen niet tot klederen, en zij zullen zichzelven niet kunnen dekken met hun werken;
hun grondstoffen niet deugen.
m'n bewijsstukken niet deugen.
Dit deugt niet.
Je deugt niet, meid.
Maar je redenering deugt uiteraard van geen kanten.
Er deugt iets niet aan die man.
Jij deugt niet.
Mijn informatie deugt wel.