Voorbeelden van het gebruik van Dit gepland in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wat? Heb je dit gepland? Nee?
Jij hebt dit gepland.
Wanneer is dit gepland?
Je hebt dit gepland.
Wanneer was dit gepland?
Hij heeft dit gepland.
Was dit gepland?
We hebben dit gepland.
Ze heeft dit gepland.
Je had dit gepland?
Jullie hadden dit gepland.
Is dit gepland?
Denkje dat ze dit gepland heeft?
Lemand heeft dit gepland.
Had je dit gepland?
Shit. Hij heeft dit gepland.
Heeft Patty dit gepland?
Hij heeft dit gepland.
Nora heeft dit gepland.
Jij hebt dit gepland.