Voorbeelden van het gebruik van Duitser in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Die Duitser is onze vijand.
Bassi, mijn jongen… wij gaan die Duitser een lesje leren.
En:"Duitse jongen, vergeet niet dat je een Duitser bent.
Maar de Duitser niet. Bedankt.
Ze vonden dit in de portemonnee van een Duitser.
Mijn vader was Duitser.
De Duitser is halfdood.
Een Britse agent, die het leven van een Duitser redt op 'n Spaans eiland.
Excuseer mij. Een Duitser in Duitsland!
De Duitser zegt dat ze hem probeerden te belazeren.
Ik zoek een Duitser.
Hoe kan iemand trots zijn dat hij Duitser is?
Deze Duitser lijkt problemen te hebben.
Ze hebben een Duitser gevonden.
Verdomde Duitser.
En nu stuurt die Duitser je terug naar Frankrijk.
Ze trouwde met die Duitser, Frank.
Negen. Goed dat je geen Duitser bent.
Hij zei:'Trouw geen Duitser.
Wie? Een Ierse man en vrouw… en een Duitser, ex-KGB?