Voorbeelden van het gebruik van Een kar in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
En dan kun je hem een kar vol mieterse trouwspullen laten zien.
Geef me een kar vol condooms voor m'n vriend.
Koop er een en kar hem naar buiten.
We hebben een kar en tassen nodig. Jij… Tassen.
Laten we een kar zoeken.
Haal een kar.
Leg de spullen gewoon in een kar zoals een normale klant.
Wat een kar ook maar is!
Hij heeft een hotdog kar in Chelsea.
Koop er een en kar hem naar buiten.
Ja. Leraren, pak een kar en breng die naar jullie plek.
Die conciërge reed je in een kar met vuile was naar de zuidvleugel.
Ik wil hier direct een crash kar en een trauma team.
Een geweldige kar.
Bouw jij een kar, Martin?
Hij is op een kar.
was ik een kar.
Goed gedaan, een kar stelen.
Ik zweer het je, hij zit in een kar met Johnny Dogs.
Ja, rauwe aardappel etende alcoholist die leefde in een kar.