Voorbeelden van het gebruik van Huis wonen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Dat ik dit toch eens zou zeggen… laat de kangoeroe in huis wonen.
Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.
Misschien moet hij een tijdje in één huis wonen, goed?
In een huis wonen, zoals dit.
Nu moest hij in het huis wonen, die hij niet te goed had gebouwd.
In het huis wonen?
Maar ik wil in een huis wonen en verliefd worden en recepten verzamelen.
Je mag in het Witte huis wonen.
Zijn nakomelingen bleven in het huis wonen.
Patrick bleef altijd zelf in het huis wonen.
Andy bleef in mijn huis wonen.
Ik wil met jou in dat huis wonen.
Dan kan ik gewoon in huis wonen.
Even in een huis wonen.
Olivia gaat niet in het Witte Huis wonen.
er andere mensen in Alisons huis wonen.
Ik wil in ons huis wonen.
Nicholas gaat in 't huis wonen.
Wat als ik wil dat ze in mijn huis wonen?
We kunnen samen in mijn huis wonen.