Voorbeelden van het gebruik van Je leraar in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik ben niet alleen je leraar.
En schrijf een briefje aan je leraar omdat we allemaal te laat gaan komen. Ja.
Bel je leraar en ga erheen.
Ik ben je leraar, je maatje.
En schrijf een briefje aan je leraar omdat we allemaal te laat gaan komen.
Zoals je leraar.
Ik ben je leraar, Rachel.
Ik wil dat Boomer je leraar is.
Respecteer je leraar dan.
Dan ben ik je leraar.
Ik zal het merken en je leraar zal het merken.
Geef je leraar 's een hint wie hem heeft.
Ik was je leraar.
Noem je je leraar zo?- Zo heet hij?
En ik ben je leraar.
Jij valt voor je leraar, hè?