Voorbeelden van het gebruik van Lesgeven in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik moet morgen lesgeven.
Ik ben aan het lesgeven.
Waarom is alles'de realiteit' behalve lesgeven?
ze hun zoon thuis lesgeven.
Je… Je kunt lesgeven.
ik ben hier… omdat ik lesgeven leuk vind.
Te veel geklets over gedichten en lesgeven.
Ze weet al dat ze lesgeven leuk vindt.
Wat weet hij over het lesgeven in Engels?
Papa gaat meer werken en ik blijf lesgeven.
Learning is een systematische benadering van leren en lesgeven.
Wanneer? Toen je 5000 kilometer van me af aan het lesgeven was in Dartmouth?
Ik wil boeken schrijven, lesgeven, een bedrijf beginnen.
Noem je dat lesgeven?
Misschien blijf ik lesgeven.
Zo kun je niet lesgeven.
Ik ontdekte dat lesgeven leuk was.
Sorry. Ik ben altijd bezig met lesgeven.
Ik heb een familie, ik moet lesgeven.
Ik hou nog altijd van lesgeven.