Voorbeelden van het gebruik van Leugenaars in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Politici zijn allemaal leugenaars.
Sinds mijn scheiding heb ik alleen maar leugenaars ontmoet.
Schat, ik zei het al, de wereld is bevolkt met passieven en leugenaars.
Oplichters en spionnen zijn beide professionele leugenaars.
Ik hou niet van leugenaars.
Het probleem is dat onze leerlingen leugenaars zijn.
Ik kan niet met leugenaars samenwerken.
Mrs. Mary Cooper heeft geen leugenaars opgevoed.
Ik speel geen pool met leugenaars.
Het zijn allemaal leugenaars.
Deze school zit vol met leugenaars.
Nu zijn we allebei leugenaars.
En ook iets van leugenaars.
En jullie zijn allebei leugenaars.
Deze school zit vol oplichters en leugenaars.
De Grimms zijn dieven en leugenaars.
Dat maakt hen beiden bewezen leugenaars.
Allemaal leugenaars.
Ik geef anders nooit rondleidingen aan leugenaars.
Beiden zijn we leugenaars.