Voorbeelden van het gebruik van Mazzel in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Dat was mazzel.
Wat heb je nog meer, behalve mazzel?
Ik heb mazzel gehad.
Jij had zeker mazzel.
Ik heb mazzel gehad.
Wij verdienden toch wat mazzel?
Ik denk dat wij mazzel hebben gehad.
Man, heb ik een mazzel.
En jij?- Ik heb meer mazzel.
Wat heeft Reuben een mazzel.
Deze keer… had ik mazzel.
Ik denk dat hij gewoon mazzel heeft.
Pech voor jullie, mazzel voor mij.
Ik heb mazzel gehad.
Ja, we hebben mazzel gehad.
Wat een mazzel.
Jij zei tegen Lily, dat ze mazzel had om bij ons te wonen.
Wanneer heb ik eens mazzel, Darryl?
Ja. We hebben mazzel gehad.
En ik weet dat ik mazzel heb.