Voorbeelden van het gebruik van Niet uitspreken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik kan het niet uitspreken.
Dat kun jij niet uitspreken.
Je kunt het toch niet uitspreken.
Die plaatsnaam kan ik niet uitspreken.
Jij mag zijn naam niet uitspreken.
Ze kon niet uitspreken wat ze voelde, dus liet ze het je zien.
Ik kan me niet uitspreken over zijn stemming.
Notificatie niet uitspreken.
Als we ons niet uitspreken, wordt dat ook opgemerkt.
Dat kan ik niet uitspreken.
We moeten onze bedoelingen niet uitspreken.
Je moet de 'T-H' niet uitspreken.
Ik moet het leren Maar ik kan het niet uitspreken.
Je moet de J niet uitspreken.
Ik kan uw naam niet uitspreken.
Dat kan ik niet uitspreken.
Je liet me niet uitspreken.
Waarschijnlijk kun je het in jouw taal niet uitspreken.
Jij zult deze vloek niet uitspreken.
Dat konden de kolonisten niet uitspreken.
