Voorbeelden van het gebruik van Ompraten in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
ik laat me niet ompraten.
Hij laat zich niet ompraten.
Ik had me niet door je moeten laten ompraten.
Ik kon haar niet ompraten.
Nee, je wilt me ompraten.
Als mijn vrienden me willen ompraten, zeg ze dan dat het geen zin zou hebben.
Kan ik je echt niet ompraten?
Het is oké, ik wil je niet ompraten.
Je kunt me niet ompraten.
Jij kunt iedereen ompraten.
Je kan haar niet ompraten.
Als ik terug kan gaan naar Tallinn, kan ik mensen ompraten.
De host, Sasha wilde haar ompraten, maar ze belt niet terug.
Je wilt me toch niet ompraten, hè? Was dat 't?
Denk je dat je iedereen kunt ompraten?
Ik had je niet moeten ompraten.
Maar mij kun je niet ompraten.
Ik kon hem ompraten.
Misschien kan je partner hem ompraten.
We hadden hem moeten ompraten.